afleveringitem
aflevering / di 18 september 2001 20:27

München 1972

Israëls wraak

‘Topmensen in hun eigen huis niet veilig’

5

Na de aanslag in München wilde Israël wraak nemen. De dag na de aanslag, 6 september ’72, bombardeerde Israël doelen in Syrië en Libanon, waarbij enkele honderden burgerslachtoffers vielen. De VN keurde deze actie af, maar deed niets onder druk van Amerika. George Bush sr., toen VN ambassadeur, gaf de volgende verklaring voor het Amerikaanse standpunt: ‘We are implementing a new policy that is much broader than that of the question of Israel and the Jews. What is involved is the problem of terrorism, a matter that goes right to the heart of our civilized life.’

Naast de bombardementen direct na het drama in München, besloot Israël om de mensen die de aanslag uitgevoerd hadden alsmede de sleutelfiguren achter de operatie op te sporen en te liquideren. Golda Meir droeg de Mossad op deze taak in het diepste geheim uit te voeren. In 1993 heeft generaal Aharon Jariv in een televisie-interview bevestigd dat deze opdracht in ’72 werd gegeven. Deze aanpak stuitte op verschillende problemen. Hoe definieerde men betrokkenheid? Was iemand al betrokken bij de aanslag in München als hij een terrorist onderdak gegeven had? Sayigh zegt bovendien dat ‘de Zwarte September beweging eerder een naam was die naar buiten toe voor de pers gebruikt werd, maar dat het in feite een ongestructureerde beweging was van El Fatah leden die om de macht streden.’ Daarnaast liquideerde de Mossad personen in het buitenland zonder medeweten van de betreffende regering. Zo werd in Parijs de PLO-man Hamsjari vermoord: hij nam de telefoon op waarna een electronisch signaal een bom tot ontploffing bracht. In Beiroet werden drie Palestijen vermoord. Eveneens in Parijs werd een autobom tot ontploffing gebracht.

Volgens Jariv was het effect geweldig: ‘Ineens waren zelfs de topmensen in hun eigen huis niet meer veilig.’ Op de vraag of het voor een democratisch land niet moeilijk was om een dergelijke operatie uit te voeren, antwoordt Jariv: ‘Zeker was dat moeilijk. Vooral omdat Golda Meir moeite had met het in koelen bloede laten doden van mensen. Het was geen oorlogssituatie. Maar we hadden geen keus.’

De identificatie van de kandidaten voor liquidatie verliep niet altijd vlekkeloos. Zo vermoordde de Israëlische geheime dienst in 1973 een onschuldige Marrokaanse kelner in het Noorse Lillehammer. Dit leverde een diplomatiek schandaal en de arrestatie van zes Mossadagenten op. Twee mensen die op de ongeveer vijftien namen tellende liquidatielijst stonden, wisten te ontsnappen, onder wie Abu Daoud, het brein achter de aanslag. Zamir wil liever niet in detail treden over de liquidaties. In het algemeen zegt hij erover: ‘Iedereen die een terroristische aanslag pleegt op joden, wordt gestraft. Het zal tijd kosten, maar we zullen hem vinden en hij zal gestraft worden.’ Pas in juni 1992 werd in Parijs de laatste ‘München-terrorist’ omgebracht.